Arbeidsovereenkomst tussen moeder en kind

bron: Rechtennieuws, gepubliceerd op 02-11-2015

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 14 oktober 2015 dat een gezagsverhouding tussen een gehandicapte moeder en een kind als haar zorgverlener kan worden aangenomen indien op grond van de feiten moet worden geoordeeld dat aan de voorwaarden voor een gezagsverhouding wordt voldaan.

Bij besluit van 19 juli 2012 heeft het UWV appellant een WIA-uitkering ontzegd, omdat appellant niet verzekerd was nu hij zorg verleende aan een direct familielid (zijn moeder). Er is dan geen sprake van een gezagsverhouding en daarmee ook niet van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Anders dan in het verleden (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2011:BU7413) neemt de Raad niet langer tot uitgangspunt dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen ouder en kind in de regel niet aannemelijk is wegens het gewoonlijk ontbreken van de vereiste gezagsverhouding. Niet kan in zijn algemeenheid worden verondersteld dat daarvan in een arbeidsrelatie tussen ouder en kind geen sprake zal zijn. Dit dient in een concreet geval met inachtneming van alle voor het wel of niet aannemen van gezag relevante omstandigheden te worden beoordeeld. Ook bij een dergelijke arbeidsverhouding geldt als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk.

Appellant heeft concreet toegelicht en onderbouwd wanneer hij welke werkzaamheden diende te verrichten, dat (moeder) hem opdrachten en instructies gaf bij de door hem uit te voeren werkzaamheden, dat zij controle uitoefende op de voortgang en de resultaten van zijn werkzaamheden en dat hij gehouden was om haar aanwijzingen op te volgen. Desgevraagd heeft het UWV ter zitting bevestigd er niet aan te twijfelen dat (moeder) aanwijzingen gaf aan appellant en dat hij deze diende op te volgen. Zo rustte op appellant de verplichting om in het kader van een gezagsverhouding gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.

De door het UWV aangevoerde omstandigheden kunnen niet afdoen aan de gezagsverhouding tussen (moeder) en appellant. Een gezagsverhouding tussen een gehandicapte moeder en een kind als haar zorgverlener kan worden aangenomen indien, zoals in dit geval, op grond van de feiten moet worden geoordeeld dat aan de voorwaarden voor een gezagsverhouding wordt voldaan.

ECLI: NL:CRVB:2015:3634

2016-11-24T11:29:12+00:0004/11/2015|arbeidszaken, jurisprudentie, sociale zekerheid|